Staatkundige catch-22 en beladen verleden zitten solidariteit Koninkrijk dwars

op eigen kracht

Je zou het gerust een staatkundige paradox kunnen noemen. Op 10 oktober 2010, toen er een eind kwam aan die geldverslindende dubbele bestuurslagen van de Nederlandse Antillen, en het Koninkrijk der Nederlanden ging bestaan uit vier autonome landen en de BES-eilanden, slaakten Nederland en de voormalige Antillen een zucht van verlichting. Schulden werden gesaneerd, er kon een frisse start gemaakt worden; ieder ging opgewekt zijns weegs. Acht jaar later echter staat de economie van met name Curaçao er uitermate beroerd voor, en klinkt een luide roep om meer en opbouwende ‘bemoeienis’ – lees: hulp bij (economische en natuur-)rampen – van Nederland.

Op het eerste gezicht klinkt dat paradoxaal, want Caribisch Nederland wilde toch juist meer autonomie en kreeg dat toch ook? In een ‘Pleidooi voor groei’, dat onlangs werd gepubliceerd in het Antilliaans Dagblad, omschrijven drie Curaçaose financieel experts (Etienne Ys, Raymond Begina en Koert van Buiren) de toestand als behoorlijk rampzalig: de economieën van Curaçao, Aruba en Sint Maarten zijn de afgelopen tien jaar niet of nauwelijks gegroeid, het inkomen per hoofd van de bevolking is lager dan voor de staatkundige hervormingen, en de werkloosheid groeit naar onrustbarende proporties. Tel daarbij op de gevolgen van orkaan Irma, de stroom vluchtelingen uit Venezuela en de verwachte zeespiegelstijging en je hebt een uitermate onrustbarend toekomstscenario voor Caribisch Nederland voor ogen.

De Curaçaose schrijver Boeli van Leeuwen, in 2007 overleden, zou het allemaal niet verbazen. In zijn column ‘Permanent naar de bliksem!’ schreef hij in 1990 ‘volgens mij is Curaçao sinds 1634, toen Johan van Walbeeck met merkbare tegenzin aan wal stapte, onafgebroken bezig geweest ten onder te gaan’. Curaçao, tien uur vliegen verwijderd van het vierde land binnen het Koninkrijk,  ‘moederland’ Nederland, heeft het nooit aan zelfspot ontbroken.

Toch is er iets wezenlijks aan het veranderen. Hing er de afgelopen decennia voortdurend die wolk met doemgedachten boven de eilanden in de West, inmiddels klinkt een nieuw geluid uit vrijwel alle gremia van de ‘Antilliaanse’ samenleving. Men heeft zo langzamerhand genoeg van het juk van het belaste en tegelijkertijd verlammende – koloniale – verleden. Met het aantreden van het kabinet Rhuggenaath lijken de opruiende uitspraken van eerdere regeringen die bleven teren op dat pijnlichaam uit het verleden, enigszins verstomd.

Desalniettemin. Juichen we niet te vroeg? Is die oproep om het roer om te gooien geen loze kreet om morgen weer gewoon business as usual verder te modderen? Zou Boeli van Leeuwen toch weer gelijk krijgen?

Wie zijn oor te luisteren legt, kan een kentering bespeuren die hoop voor de toekomst behelst. Neem de concrete oproep van voormalig Vertegenwoordiger van Nederland op Curaçao Rita Rahman om vertegenwoordigers uit de Caribische Nederlanden daadwerkelijk op te nemen in relevante rijksdiensten. Rahman vindt het te gek voor woorden dat ‘rijksambtenaren zich wel inzetten voor de gevolgen van klimaatverandering in Afrika’ terwijl er nauwelijks geld gaat naar ‘binnenland’ Curaçao waar men kampt met een verslechterend milieu, afbrokkelend koraal, luchtvervuiling als gevolg van de raffinaderij Isla en een verwachte zeespiegelstijging, ontwikkelingen die het toerisme bepaald niet ten goede komen. Ze noemt het bovendien paradoxaal dat Nederland zich op de borst slaat voor zijn genereuze internationale samenwerking terwijl het er veel van weg heeft dat men wegkijkt van de complexe problemen overzee onder het mom van ‘respect’ voor de autonomie, zich daarbij beroepend op de staatkundige inrichting van het Koninkrijk.

Constructieve samenwerking zonder wrok is het frisse adagium. Dat valt ook te beluisteren bij Lucille George-Wout, gouverneur van Curaçao.  Zij vindt het hoog tijd dat Nederland en zijn Caribische tegenvoeter hun ressentimenten achter zich laten en in de geest van Koningin Wilhelmina’s ‘steunend op eigen kracht, doch met de wil elkaar bij te staan’ werk maken van dit staatkundig principe. Tijdens een recente speech  verwoordde ze dat aldus: ‘Waarom vieren we wel de opstanden van 30 mei en van Tula en niet of nauwelijks de ondertekening van het Statuut op 15 december 1954 en van de afschaffing van de slaverij?’ Kortom: time to move on.

Nederland, en dan met name de overheid, wordt met klem verzocht om zich nadrukkelijker ‘binnenlands’ te manifesteren en zich wat minder achter het ‘steunend op eigen kracht’ te verschuilen, zich met raad en daad in te zetten voor het bevorderen van de economische activiteit op ‘onze’ eilanden overzee. Mogelijkheden te over. Want wat zou het prachtig zijn wanneer Curaçao een showcase zou worden van ecotoerisme bij voorbeeld. (Er worden overigens al aardig wat groene acties ondernomen. Aan wil op Curaçao ontbreekt het niet.) Nederlandse kennisinstellingen en bedrijven zouden er met innovatieve technologie een groen, duurzaam eiland kunnen scheppen waarmee we in de wereld kunnen laten zien wat wij in het Koninkrijk der Nederlanden in huis hebben als het gaat om klimatologische innovatie. Niet in de laatste plaats zouden we daarmee ook kunnen laten zien dat we in volle solidariteit gezamenlijk aan een gezonde toekomst kunnen werken waarbij de inzet en capaciteiten van álle burgers in het Koninkrijk benut wordt.

Het kan niet zo zijn dat we met open ogen Caribisch Nederland naar de bliksem laten gaan. Die dagen zijn voorbij.

 

(Dit artikel werd op 24 mei 2018 in het Antilliaans Dagblad gepubliceerd.)

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s