Van stiefmoeder naar (stief)oma – laat dat ‘stief’ maar weg

Wanneer komt er een vervolg op je boek? Het was die vraag die me op het spoor zette om me af te vragen of er veel was veranderd sinds ik twintig jaar geleden stiefmoeder werd, er in 2007 een boek over schreef, en me nu sinds drie jaar trotse oma mag noemen. ‘Oma? ‘ Hoor ik je denken.  ‘Stiefoma zul je bedoelen.’ Klopt hoor. Maar het gekke is dat een kind van je stiefkind opeens geen stiefkleinkind is, maar een heus kleinkind. Misschien omdat je er van meet af aan bij was, de buik van je stiefdochter zag groeien en de baby op de wereld mocht begroeten als een van de vier grootouders.

Ik denk eerlijk gezegd dat ik minstens even veel oxytocine, het zogenaamde knuffelhormoon, aanmaakte als de andere – biologische – oma. Stapelverliefd zijn we op het aandoenlijke wezentje dat op een dag opeens ´oma´ tegen me zou zeggen.

De statistieken laten onomwonden een toename van het aantal stiefgezinnen zien. Dat is aan de ene kant jammer – er gaat uiteraard niets boven de echte papa en mama – anderzijds kruipen wij stiefjes daarmee wel langzaam uit die benarde loopgraaf van de underdog. De prognose luidt dat een op de drie huwelijken op den duur zal sneuvelen. Nu al krijgen kinderen in 200.000 gezinnen te maken met een tweede moeder, vader én met nieuwe opa’s en oma’s. Jaarlijks maken 70.000 kinderen een scheiding mee, en volgt daarna een leven met twee thuis-huizen, twee vakanties, en vaak nieuwe broertjes en zusjes. Zo rond de tien procent van de jonge pubers in Nederland woont in een stiefgezin. In een stiefgezin wonen is geenszins meer een rariteit. Het is normaal geworden.

Maar gaan we er ook ‘normaal’ mee om? Uit eigen ervaring weet ik dat er behoorlijk wat doorzettings- en uithoudingsvermogen komt kijken bij het runnen van een stiefgezin. Om de hoek van elk conflictje, elk wissewasje lonkt toch altijd de verleidelijke dooddoener dat de goeie dingen aan je kinderen te danken zijn aan jouw onovertroffen opvoeding en dat de nare trekjes wel genetisch zullen zijn. Een kromme redenering die de biologische ouder er ook op nahoudt maar dan natuurlijk andersom.

Een echt akelige boobytrap van het stiefouderschap is in tijden van nood de stiekeme gedachte dat je uiteindelijk toch niet eindverantwoordelijk bent voor je kind, immers: jij bent toch lekker de buitenstaander. Dit kan ertoe leiden dat je – té – lang wacht met ingrijpen. Ook al omdat er een onduidelijk krachtenveld is van aanpalende familieleden, opa’s en oma’s die menen te weten hoe je je kleinkind dient op te voeden, die kortweg menen recht te hebben op zeggenschap.

En hier zijn we wellicht aangekomen bij de hoopvol stemmende les die je als later toegevoegde ouder kunt leren: als je eenmaal alle horden van het stiefouderschap hebt doorlopen dan wacht aan het eind wellicht die enorme beloning: een kleinkind dat jou zonder bijsmaak ‘oma’ noemt en dat jou tot tranen toe weet te beroeren met de meest oprechte oogopslag die je je ooit hebben kunnen voorstellen. (Beetje kreun maar toch.)

Maar voordat het zover is… (zucht)

Neem de grote liefde van schrijver Peter Buwalda: Suzanne Rethans. Naar aanleiding van hun breuk schrijft ze in haar column in het tijdschrift JAN: ‘We waren zo verliefd dat we dachten dat we alles aankonden.’ Het stel was vier jaar samen, af en aan met Rethans’ drie kinderen. De scheiding van de vader van haar kinderen had (te) veel kwaad bloed gezet. ‘Als zo veel mensen boos op je zijn, ongelukkig met de situatie, lopen te wrikken en te zagen, is het net of iedere avond de ruiten worden ingegooid’, schrijft ze treffend.

Ieder pasgesticht stiefgezin barst van het verdriet en de boosheid over van alles en nog wat. Kortom: stress. Om dat te compenseren met liefde en genegenheid (voor de kinderen, die verliefdheid naar elkaar toe is wel duidelijk) is een haast bovenmenselijke hoeveelheid engelengeduld en egoloosheid nodig. Want zodra je als verse ouder gaat denken ‘waar sta ik nu eigenlijk, hoor ik er wel bij?’ dan ben je verloren. Ga er maar vanuit dat je er het eerste decennium niet bij hoort, ook al zou je er voor jouw gevoel WEL bij moeten horen.

Als er iets is waar een stiefouder over dient te beschikken dan is het opofferingsgezindheid. Vergeet dankbaarheid omdat je hun vieze billen afveegt en zoveel moeite doet om lekkere kindermaaltijden te bereiden. Accepteer kritiek op jouw ontoereikende opvoedkundige capaciteiten. Leer tot tien tellen. Leer tot honderd tellen.

Mag ik – als veteraan stiefouder – nog één gouden tip geven: dwing je geliefde NOOIT een keus te maken tussen zijn of haar kinderen en jouw persoontje. Dat is zoiets als vragen of iemand niet meer van zijn moeder wil houden. Probeer de oerkracht van het biologische ouderschap niet uit te spelen maar respecteer het zoals je je eigen verliefdheid, ook al zo’n oerkracht, je dingen laat doen waar je achteraf ook wel eens spijt van krijgt.

Een time-out kan een waardevolle tussentijdse oplossing zijn als de pannetjes allemaal aan het overkoken en/of aanbranden zijn. Zo heb ik in elk geval een crisis weten te bezweren. Het was een periode waarin ik mij realiseerde dat mijn liefde voor mijn man groter was dan mijn voorbijgaande ergernisjes aan puberfratsen waar ook nog eens iedere biologische ouder gewoon mee van doen heeft. Neem het niet persoonlijk, zou ik willen aanbevelen, er meteen bij opbiechtend dat ik dat advies ook pas later echt ter harte kon nemen.

Kort en goed: de kinderen valt niets te verwijten. Wij als volwassenen hebben de taak onze nieuwe liefdes op een deugdelijke manier te laten wennen aan de nieuwe samenstellling van onze gezinnen. Dat vergt onnoemelijk veel tactisch – sociaal – vernuft.

Schrijvers als Buwalda zijn geen mensenmensen die met onze bloedjes urenlang willen pim-pam-petten of op straat een balletje meetrappen. Dat moge duidelijk zijn. Schrijvers zitten een groot deel van hun tijd alleen achter hun toetsenbord. Dat hebben ze nodig om niet gierend gek te worden. Wat ik wil zeggen is: hou als nieuwe stiefouder altijd een eigen plek achter de hand waar je je kunt terugtrekken. Want hoe je het ook draait of keert: uiteindelijk is de biologische ouder wel degelijk de eindverantwoordelijke, wat iets anders is dan het putje waar je alle problemen gemakshalve naartoe veegt.

En nogmaals: hou die grote beloning voor ogen als het even tegenzit. Want op een dag zal je stiefkind een volwassene zijn die zelf ook ouder wordt. Dat zal het moment aanbreken waarop je op iets als rehabilitatie mag rekenen. En dat verschilt eigenlijk niet eens zoveel van de rehabilitatie die ook de biologische ouder ten deel valt als zijn kind een kind krijgt.

Want in het verschonen van luiers, en het eindeloos voorlezen van verhaaltjes, zal bij je groot gegroeide kind af en toe de gedachte doorschemeren: dit hebben mijn ouders ook voor mij gedaan. Hou dus voor ogen dat je op een dag oma – of opa – zal zijn! En laat dat ‘stief’ dan voorgoed achterwege.

Scènes uit een stiefgezin – door Hennie Harinck, 2007
is te koop via hennieharinck@gmail.com

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s