De ijzeren man van Misahualli 


Op het plein van Misahualli staat een bord met de namen van veertig gerespecteerde junglegidsen. Pepe Tapia Gonzalez ontbreekt. En naar hem ben ik op zoek. Zijn ‘junglevader’ staat wel vermeld. Die vind ik snel. Of beter, Hector Fallioz vindt mij. Het dorpje telt nauwelijks honderd zielen, de mare is mij vooruit gesneld. Hij komt aanfietsen.
Pepe keert morgen terug van een oerwoudtrip. Is hij dan niet te moe om meteen weer drie dagen met mij op pad te gaan?

Hector lacht en schetst met zijn handen Pepe’s omtrek. Een kop kleiner dan de gemiddelde Hollander, maar beduidend gespierder.

Misahualli staat te boek als de poort naar de jungle. Een stipje op de kaart tussen het Andesgebergte en de Naporivier; het begin van het Amazone-rijk. Zonder gids de bush betreden betekent vrijwel zeker de dood, vertelt een vermoeide ogende Pepe de volgende dag. Gewapend met proviand en Pepe’s machete stapt het tot acht personen uitgedijde gezelschap in een korjaal. Achter ons de verdwijnende skyline van het Andesgebergte, voor ons de brede, kalme, groen ommuurde waterstroom.
Ecuador biedt laagland, Andes-hoogvlakten en een flinke hap Amazone-oerwoud, waarvan ruim de helft wordt geclaimd door buurland Peru. Niet dat Pepe daarvan wakker ligt, want wat heb je er te zoeken? Indianen? Laat ze met rust, meent hij.

We zouden ze maar in verwarring brengen met onze foto- en videocamera’s. Het is al erg genoeg dat zes uur varen van Misahualli olie wordt gewonnen. Het dorp Coca is verworden tot een Colombiaanse hoerenkast. Indianen worden blootgesteld aan westerse waarden en hun grond en water aan weglekkende olie.

Pepe voelt zich ‘een kind van de jungle’, al woont hij in Misahualli. Waar hij genoeg dollars probeert te vergaren om vrouw en kind het laagseizoen door te loodsen. Over zijn afkomst is hij vaag, maar zijn breed en plat gezicht, zijn scherpe neusvleugels en blauwpaarse lippen, verraden indiaanse voorouders.

Onder zijn hoede lijkt de jungle allesbehalve gevaarlijk. Met kleurige toekans in plaats van loerende anaconda’s. Alles, van bananenboombladeren – te gebruiken als tafelkleed – tot middeltjes tegen verkoudheid en diarree, ligt klaar voor gebruik. In de wirwar van boomwortels en lianen snijdt Pepe een middag lang bladeren, takken en vruchten af en demonstreert hun geneeskrachtige werking. De drie artsen in het gezelschap proeven minzaam van afwisselend gore en bittere sappen, en menthol-achtige melk.
Na het avondmaal van bananensoep, rijst en vlees, ontpopt zich een andere Pepe. Rond het uit bamboe opgetrokken kampement kwaken boomkikkers, dwarrelen vuurvliegjes en schreeuwt nu en dan een vogel. In de verte beschijnt de maan de Arajuno. Donker klinkt het gerommel van verschuivende stenen op de rivierbodem. Tijd voor indianenverhalen: ‘Laat me jullie over de Amazone vertellen.’
Want als we denken dat we nu in het oerwoud zijn, hebben we dat niet helemaal goed begrepen. ‘Hier zijn begaanbare paden. Een paar dagen varen verderop vind je de echte jungle.’

Daar zou ook hij zonder hulp reddeloos zijn. ‘Zoals wij nu overgeleverd zijn aan jou’, merkt een Duitser droogjes op. Dat doet Pepe zichtbaar genoegen. Niet alle gidsen zijn betrouwbaar, waarschuwt hij. Twee Franse meisjes zijn laatst gedrogeerd en verkracht. Ze werden pas dagen later uitgehongerd aangetroffen door schuwe Aucan-indianen. ‘Eens zag ik een van hen’, fluistert hij met toegeknepen ogen.

‘Een man van ijzer. Ik dacht dat ik door een dier op de hielen werd gezeten: ritselende bladeren en het geluid van grote zweefsprongen. Tot ik oog in oog stond met hem. Naakt, lang haar, één bundel spieren.’ Pepe monstert de mannen om de tafel stuk voor stuk. ‘Een mensdier’, verzucht hij. Vertegenwoordiger van een opgejaagde samenleving uit een voorbije tijd. Waarin stoere mannen nog met een blaasroer apen uit bomen schoten. Bij wijze van vermaak laat Pepe ons de volgende dag door zo’n drie meter lange bamboestok pijltjes wegblazen naar een houten aapje, bungelend aan een tak. Onze gids wacht rustig af tot wij uitgespeeld zijn, spuit dan doodgemoedereerd drie pijlen in het hart van de speelgoedaap.

Pepe verbreekt de stilte tijdens het laatste deel van de tocht: we gaan slingeren. Een armdikke liaan die een tiental meters van een boomkruin naar beneden hangt, is het speeltje. Hij rukt driemaal om de aanhechting te controleren en slingert daarna de ruimte in. Op het hoogste punt klikt een camera, horen we een oergil en zien we Pepe omlaag storten.

Een ogenblik is het doodstil. Als hij zichzelf zo wil bewijzen, gaat hij wel erg ver. Maar het opstijgende gejammer is levensecht. De dokters haasten zich naar beneden en vinden hem ruggelings over een boomtronk gevouwen. Hij crepeert van de pijn; zijn wervelkolom lijkt geknikt.

‘Beweeg je voet’, beveelt de Duitser. Pepe stoot onverstaanbare klanken uit tot een straaltje bloed uit zijn mondhoek druipt. De Nederlandse arts vloekt en begint wild om zich heen te kijken alsof hij een ambulance verwacht. Pepe ziet krijtwit en kreunt. De mannen tillen hem van de stronk. Minuten lang wachten we af, als bange konijnen, aan de grond genageld.

Dan slaat Pepe zijn ogen op en geeft te kennen op te willen staan. Voorzichtig wordt hij op de been geholpen. Zijn eerste stap wordt met gejoel verwelkomd. De gids glimlacht flauwtjes, strekt langzaam de rug en zegt: ‘Ik heb altijd geweten dat ik van de ijzeren mannen afstamde.’

(Kort reisverhaal, in 1997 bekroond met de ANVR-prijs ism de Openbare Bibliotheken en De Telegraaf)

2 Comments

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s